Lessen Culturele Antropologie van Hein uit 1977

In mijn eerste bijdrage ‘Herinneringen aan Hein’ heb ik geschetst dat Hein Thijssen na zijn definitieve terugkeer uit Canada (in 1973) twaalf jaar werkzaam was als docent maatschappijleer, psychologie en gedragswetenschappen. Dat was aan de Bibliotheek- en Documentatie Academie (BDA) in Sittard.

Ook schetste ik dat ik, in de tijd dat ik regelmatig bij Hein op bezoek kwam  (eind jaren zeventig), een relatie kreeg met Tessa, die ik nog van de middelbare school kende. En het toeval wilde dat Tessa na haar eindexamen haar opleiding tot bibliotheekassistente ging volgen aan de BDA in Sittard en daar lessen kreeg van Hein!

Van Tessa heb ik destijds haar aantekeningen van de lessen Culturele Antropologie van Hein mogen overschrijven, gemaakt in 1977. Ik heb die aantekeningen altijd bewaard en maak ze nu openbaar. Natuurlijk als curiositeit en aandenken, maar ook als boeiende voorbode voor het proces dat toen al sluimerde bij Hein, en dat zo’n twintig jaar later mede zou bijdragen tot zijn ontwaken.

De oplettende lezer zal in deze aantekeningen duidelijk de invloeden van Arthur Janov  herkennen (zie hiervoor Hein’s tweede boek ‘De andere God’). Ook zijn Hein’s inzichten over wat Boeddha feitelijk overkwam heel waardevol, evenals zijn frisse en bijzondere kijk op het authentieke Zen-Boeddhisme. Zijn originele en scherpe weergave van Boeddha’s ervaringen en observaties zijn heel uniek en ben ik nergens anders tegengekomen. Hij heeft Boeddha’s ontwakingsproces in andere termen dan gebruikelijk beschreven en vanuit een andere kijk geduid, ontdaan van alle religieuze of metafysische connotaties. Later zou hij dat in zijn eerste boek verder uitwerken (zie ‘Leeg en bevrijd’, p. 85 t/m 91).

Ik zal de aantekeningen hier integraal en zonder al te veel toevoegingen of correcties presenteren. Dat heb ik hier en daar wel gedaan [in acculades] om de leesbaarheid te bevorderen; de originele inhoud en weergave is nagenoeg onveranderd.
Omdat het een dictaat betreft is het geen vloeiend geschreven verhaal, maar een aaneenschakeling van college-aantekeningen, met hier en daar misschien wat onduidelijkheden en onvolkomenheden.

Lessen Culturele Antropologie van Hein Thijssen uit 1977

Cultuur is altijd een product van de menselijke rede en daarom beperkt. Een product van de rede is nooit de werkelijkheid zelf.

Definitie van cultuur:
Tylor (professor in Oxford, 1870)
[Hoogstwaarschijnlijk wordt hier Sir Edward Burnett Tylor bedoeld, 1832-1917, een Engelse antropoloog en hoogleraar antropologie aan de Universiteit van Oxford, WB]:

‘Cultuur is het samengestelde en complexe geheel van kennis en geloof, kunst, wetten, moraal, taal e.n alle andere kundigheden, die de mens verworven heeft als deel van de gemeenschap.’

Hein Thijssen:

‘Cultuur is het door de rede gevormde patroon van symbolische communicatie tussen de leden van een gemeenschap en de producten van deze communicatie.’

Alles wat door de rede is voortgebracht is symbolisch.

Alles wat een mens doet, doet hij uit behoefte. Natuurlijke behoeften zijn b.v. eten en drinken.

Cultuur is géén natuurlijke behoefte van de mens (een baby heeft geen behoefte aan cultuur). Cultuur komt ook niet uit de gemeenschap voort of de natuur, maar uit de individuele mens.

Gemeenschap is een cultuurverschijnsel, een gemeenschap op zichzelf bestaat niet.

De oorsprong van de cultuur is een behoefte van de rede. Behoefte aan cultuur ligt in een niet-natuurlijke behoefte van de mens.

Een natuurlijk organisme heeft een natuurlijke behoefte. Behoeften van een organisme in de moederschoot zijn erg weinig (huidcontact met de moeder, automatische voeding).

Wat gebeurt er met de mens vanaf zijn geboorte, psychologisch en neurofysiologisch? Natuurlijke behoeften zijn maar heel weinig. De mens kan niet in leven blijven zonder [lichamelijk] contact, het zintuig van de huid; de mens kán zonder de andere zintuigen leven. In de moederschoot heeft het kind al contact. Afhankelijkheid van de moeder [is] bij een mens sterker dan bij de dieren.

Bij [de] geboorte:
– geen constante temperatuur meer (organisme voelt zich bedreigd)
– huidcontact niet meer zoals het was ([baby] moet in de wieg liggen)
– voeding niet meer automatisch volgens behoefte

Oorsprong cultuur:
– Onmiddellijke oorsprong ligt in de rede (product: offer, taal, kunst, mythe, wetenschap)
– Verwijderde oorsprong ligt in de behoefte van de mens om zich te verdedigen tegen de oerangst

Mythe:
– product van het menselijk verstand
– poging van de mens om het mysterie uit te leggen

Mythe: diepst ingewortelde uitdrukking van de mens die in zichzelf verscheurd is. Mythe is altijd van religieuze aard; je wilt iets uitleggen en op die uitleg komt manipulatie, verdediging.

In het Oosten, b.v. bij het Boeddhisme bestaat vrijheid, verlossing niet in manipulatie van het mysterie, dus nooit een wetenschap, verstandelijk inzicht, religie, maar uit het zich verlossen van het angstproces.

Het kind kan zich alleen maar effectief afsluiten van pijn als het zich kan afsluiten van behoefte, dus als het zich kan afsluiten van zichzelf. Omstreeks het zevende jaar kan het kind oorzaak en gevolg onderscheiden; alle losse bedreigingen worden dan aaneengeregen  tot een catastrofale bedreiging en het moet zich daarvoor afsluiten. Het hele verdere leven van het kind zal bestaan uit het verdedigen tegen die bedreiging (die een oerbedreiging is).

De grote hersenen: centrum van het bewustzijn; cellensysteem dat een prikkel vastlegt in het geheugen en het evalueert als bedreiging (< afsluiting) of als gunstig (< opengaan). Bij doorstroming van het cellensysteem naar de grote hersenen vindt pas pijn plaats. Vindt er geen doorstroming plaats, dan voelt men geen pijn, hoewel het hele lichaam verwoest kan worden. Vindt er geen doorstroming plaats (bij te grote pijn) dan blijft de pijn in het cellensysteem.

Oerbedreiging: de oerangst die telkens geactiveerd wordt en waartegen de mens zich moet afzetten. Leidt tot het verdedigingssysteem, ofwel organisch (lichamelijk) ofwel rationalistisch (met de hersenen).

De mens heeft altijd hoop op oplossing. Dit is om zich veilig te stellen. De grootste bedreiging van de mens is de mens zelf. Bedreiging wordt pas pijn in het bewustzijn. Het organisme gaat zich afsluiten. Behoefte voelen=pijn hebben=frustratie.

De natuur wordt geboren met behoeften. Natuurlijke behoeften zijn absoluut noodzakelijk. Worden ze niet beantwoord, dan is er bedreiging, pijn (in het onbewustzijn) en komt er een verdedigen. Afsluiten van het voelen van de pijn is het afsluiten van het voelen van natuurlijke behoeften, een afsluiten van het voelen van zichzelf.

Begin van de scheuren van de mens: scheur is dieper tot het zevende jaar. Pijn is zo groot dat hij het niet kan verdragen. Het hele verdere leven is een verdedigen tegen de oerangst: afweermechanisme.

Reageren op zijn eigen voorgeschiedenis: het milieu doet niets anders dan het ontsteken van de pijn, van de reactie. De reactie is een reactie op de eigen voorgeschiedenis en niet een reactie op wat buitenaf gebeurt.
-reële bedreiging krijgt reële reactie
-reactie op een niet opgeloste angst.

Inzicht en manipulatie kunnen nooit een oplossing brengen. De mens bouwt de cultuur om veiligheid te hebben, dus cultuur is noodzakelijk.

Het wezen van de cultuur is de verhouding van de mens t.o.v. zijn omgeving. De behoefte daaraan komt voort uit de verscheurdheid van de mens en zijn pijn. De natuur komt in het gedrang en komt niet meer vrij. Gevolg: afweermechanisme, verdedigingssysteem.

De mens bouwt cultuur om zich te verdedigen tegen cultuur. Dus de psychologische oorsprong van cultuur ligt in de verscheurdheid van de mens. De inhoud van de verdediging wordt bepaald door communicatie. De communicatie-inhoud wordt altijd van bovenaf gegeven: ouders, symbolische ouders, milieu.

De mens is inwendig verscheurd, hij heeft pijn. Hij gaat zich afsluiten, een verdedigingssysteem opbouwen en hij gaat de natuur opsluiten in zichzelf. De paradox: hij gaat een cultuur opbouwen om van de cultuur af te komen. Wat bepaalt de inhoud van die verdediging? De communicatie van ouders naar kinderen. Communicatie wordt altijd van bovenaf opgelegd (eerst de ouders, later het hele milieu).

Er is een verlangen van de natuur om vrij te zijn. Men denkt dat er een verlossing bestaat. Er komt een nieuwe gedachte, waarvan men denkt dat hierin de verlossing ligt. Zo gaat dat steeds verder, steeds weer nieuwe gedachtes. Het ene systeem gaat in het andere over.

Als een persoon zich van zichzelf afsluit zal hij geen pijn meer voelen. De reactie die je geeft is een reactie op jezelf en niet op een prikkel van buiten. De bedreiging ligt dus niet in de cultuur. Daarom kunnen inzicht en manipulatie nooit een oplossing brengen.

Begrip God in het Westen: een persoon, een Hij, maar toch oneindig. Hij gaat scheppen. God schept dingen die los van elkaar staan, maar door controle, manipulatie, inzicht en voorzienigheid laat hij het heelal tot een niveau komen > machinaal geheel (theïsme). God wordt naar gelijkenis van mens geschapen, alleen is hij super, super …

Godsgegeven van de Indiërs: God= Brahman. God schept niet. Alles wat is wordt geboren en groeit in God. Het is geen mechanisch proces, het is een groeiproces.
In het Westen willen wij de natuur controleren, manipuleren.
In het Oosten: we zijn een deel van de natuur, we moeten met de natuur meegaan, dus niet controleren.

BOEDDHISME – GAUTAMA SIDDHARTA (536 – 483 v. Chr.)

Heel zijn leven is hij rusteloos en zoekende geweest.
> hij trekt weg, ontmoet ellende, dood, ziekte etc.
> hij krijgt een shock. Wat is de oplossing hiervan?
Hij bezwoer dat hij zijn leven hiernaar zou zoeken.
> hij gaat naar de bossen van Benares en geeft zich over aan ascese e.d.
> hij zwoer later alle asceses af omdat hij zag dat hij dan zou sterven, en als hij dood was kon hij de oplossing niet vinden.
> hij is daarna 49 dagen in Noord-West India geweest.

Hij is daar door een soort pure hel gegaan. Op de 49 ste dag ontwaakte hij: opeens was er een soort doorstroming, een oplossingservaring. Een oerbedreiging kwam omhoog, zijn verdedigingssysteem viel uiteen, wat resulteerde in een spanningsloos, verdedigingsloos, totaal zichzelf voelend Zijn.
Dit noemde hij NIRVANA (absolute verlossing, een staat van uitgeblazenheid, van sterven). NIRY betekent uitblazen, VRITTY zijn kleine cirkeltjes die tot rust komen.

Het onnatuurlijke verdedigingssysteem wordt uitgeblazen; het is een stervingsproces, het is negatief.
Boeddha zei: alles is volmaakt als het natuurlijk kan handelen en gezond kan zijn; de mens mag niet geremd worden. Je kunt alleen leven door te sterven.

Zijn vier edele waarheden:

1. DUKKHA = bitter, wrang.
Het leven zelf is niet bitter, maar het wordt door de mens als bitter ervaren.
Tegenovergestelde: SUKKHA = zoet.

Waar komt die bitterheidservaring vandaan? Van:

2. TRISHNA = dorsten, streven.
Het krampachtig streven naar een verdedigingssysteem tegen de pijn. Het hele leven is een verdediging tegen de oerpijn. Directe verdedigingssystemen zijn b.v. alcohol en drugs.

Hoe los je dit streven op? Door TRISHNA uit te blazen:

3. NIRVANA = absolute verlossing, staat van uitgeblazenheid.
In de traditie wordt gezegd: door het volgen van het achtvoudige pad; dit moet je bewandelen voordat je NIRVANA kunt bereiken. Maar in plaats van spanningen op te lossen verergeren ze die juist.
Gautama zei dat je eerst moet sterven; je krijgt dan een volmaakte kijk op alles.

Het NIRVANA leidt tot:

4. DHARMA = natuur van de mens.
Belemmer je het DHARMA, dan zijn er spanningen, pijnen. Is het sterven gebeurd, dan is alles natuurlijk.
Alle onnatuurlijke behoeftenvoldoening afsluiten, alle verdedigingen afsluiten.
> spanningen komen omhoog. Twee mogelijkheden:
– psychose (komt zelden voor)
– verlossing

In het laatste geval komt de pijn omhoog en verdwijnt uiteindelijk; de bedreiging is opgeheven, de voorgeschiedenis opgelost.
Je hoeft je niet meer te verdedigen.
Ieder voelen is een klein deeltje van NIRVANA.
Reacties zijn geen reacties meer op je voorgeschiedenis.
De staat van oplossing is permanent.
In de boeddhistische meditatie vindt de afsluiting van de verdediging plaats (vooral in het Zen-Boeddhisme).

TAO TEH TSJING

TAO = TEH. TEH = de Natuur; de kracht die de natuur heeft om natuurlijk en gezond te zijn, zonder gehinderd te worden.

ZEN-BOEDDHISME

Twee hoofdrichtingen van het echte ZEN, dat nog bestaat:
1. RINZAI > KOAN
2. SOTO

MONDO (later > KOAN): een kort, bliksemsnel vraag en antwoord gesprek tussen twee meesters, of tussen een meester en een leerling.
Eigenlijk zijn MONDO’S de enige literatuur van het ZEN; er bestaat helemaal geen wijsheid. Het ZEN bestaat niet; het zijn persoonlijke ervaringen, en die kun je niet institutionaliseren.
In het ZEN heb je nooit discussies, alleen anecdotes. ZEN heeft geen wijsheid. De wijsheid zit in het leven zelf. Het leven zelf, de praktijk telt. Wijsheid = Zijn (spontaan, gezond, goed).

Als je door het ZEN-proces gaat: geen leer, geen discussie, alleen voelen. Dan komt de pijn op en komt er een doorbraak.

Door het overgeven van meester op leerling is de ‘leer’ van het ZEN puur gebleven.

Een Zenklooster in Japan is heel sober en proper.
ROSHI: hoofd, leermeester. Een man op leeftijd met heel veel ervaring, een verlost man. Er gaat een enorme rust van hem uit.
SESSHIN: een 10-daagse periode van intensieve Zen-discipline; wordt 2 á 3 keer per jaar gegeven.

Je komt in een klooster en wordt voor de ROSHI geleid. Hij vraagt je wat je komt doen. Of je voor rust komt, voor verlossing, voor ontwikkeling van paranormale krachten.
Dan ga je naar de ZENDO (meditatiehal, Zen-hal), een langwerpige hal. Op een rij zitten de leerlingen tegenover elkaar. Daar is ook een GODO, een toeziende monnik. Hij geeft instructies over hoe je moet zitten en ademhalen.

De volgende dag kom je bij de ROSHI voor DOKUSAN, een begeleidingsgesprek tussen meester en leerling. De meester zal je hierbij de KOAN geven. Daar heb je er ongeveer 700 van (van verschillende niveau’s).
Het is een verstandelijk onoplosbaar probleem, b.v. het geluid van één hand. Of: hoe zag jij er oorspronkelijk uit voor jouw ouders geboren werden?

Van zo’n KOAN mocht je je niet distantiëren, de hele dag moest je ermee bezig zijn. In de Zen-hal deed je ZA-ZEN (=zitten-meditatie), wat werd afgewisseld met lopende KOAN, huishoudelijke klusjes en een zeer sobere maaltijd. Je was constant met je KOAN bezig.

Je zit in een totaal verdedigingsloze toestand en je hebt het gevoel dat je in een ‘hel’ zit. Je kunt geen sigaret opsteken, met iemand praten of je pijn vergeten; er zijn geen uitwendige vluchten meer. Je gaat vluchten in toenemende verstandsactiviteiten (tweede verdedigingslinie) zoals dromen en fantasieën. En je mag je niet distantiëren van de KOAN. De GODO houdt je af van fantasieën en dromen en ziet direct wanneer je wegdoezelt. Hij slaat je dan met een stok op de schouder en loopt daarbij op en neer de rij af.

Jouw verdedigingssysteem wordt steeds dunner en is aan het wankelen gebracht. Je gaat door periodes van grote wanhoop. Het uiteindelijke doel is inzicht in ‘MOE’ krijgen [ik ken dit woord niet, WB].

Dan krijg je de derde en laatste verdedigingslinie, de MAKYO (hallucinaties). Dit is een heel kritiek punt. Óf psychose, óf volmaakte verlossing.
Vormen van MAKYO:
– extase, visioenen (fijn gevoel)
– hel (demonische angsten)
– klanken (hebben te maken met je verleden)
– gezichtsbedrog e.d.

Je gaat naar de meester toe. Je denkt dat je er bent, maar de ROSHI ontkent dat. Hij zegt: niet vasthouden aan de extase etc., maar aan de ‘MOE’. Verder krijg je nu begeleiding van de ROSHI. Hij begeleidt je nu naar de weg van het voelen (de kensho/satori): het eerste voelen van jezelf. Dan weet je ook wat ‘MOE’ is, dan weet je dat schouwen in jezelf niets verstandelijks is.
De ROSHI ziet direct wat er met je gebeurd is, nl. die gevoelsdoorbraak.

Het is dus een proces waar je doorheen gaat.
Organisch en geestelijk raak je opgelost. Je wordt één geheel. De oorzaak van de neurose valt weg.
Hoe een lichaam groeit kan een gevolg zijn van psychische zaken, neurose e.d. Alles wordt veroorzaakt door de scheur. Jouw lichaam vertelt alles, de spanningen e.d. Naar gelang je met het proces doorgaat komt er telkens een gevoelsdoorbraak, totdat je bent wat je bent, zonder pijn en voorgeschiedenis.

RINZAI-ZEN: nadruk op KOAN (het plotseling doorbreken).
SOTO-ZEN (doelloos zitten): werkt ook met KOAN, maar veel geleidelijker, niet zo intensief. Hier wordt er van uit gegaan dat ieder vanaf de geboorte verlicht is en dat je moet zitten tot de hele natuur is vrijgekomen.

In ZEN-centra in het Westen wordt in 9 van de 10 gevallen SOTO-ZEN beoefend. Is voor ons moeilijker en gevaarlijker omdat het een soort yoga of TM wordt als het niet onder zeer bekwame leiding gebeurt.

ZEN is géén cultuur, maar een totaal voelen met de natuur. ZEN is puur gebleven. Het is het sterven van al het onnatuurlijke; dan ben je natuurlijk en effectief, precies zoals het moet. Alles is gewoon zoals het is. Geen pijnen en geen angsten meer.

Alle ambachten zijn DO. Om effectief te zijn moet je jezelf zijn.

HAIKU: een gedicht van 17 woorden. Niet te vertalen in het Westers. Het is nooit symbolisch, neurotisch, maar altijd concreet. Het praat dus nooit over abstracte dingen als liefde, God, wetenschap etc.

 

 

 

 

4 gedachten over “Lessen Culturele Antropologie van Hein uit 1977”

  1. Inzicht in “moe”. (WB kent dit woord niet)
    Waarschijnlijk is “moe” hetzelfde als Mu.

    Dit woordje wordt gebruikt om de kern aan te geven waar het in het leven om draait. Mu is als het ware de essentie.
    Op pag. 15 van “de filosofie van een oorspronkelijke geest” van
    Anton Heyboer, schrijft/zegt Heyboer:
    “….Een kern waar het om draait, en die kern is dat ik alleen maar kan leven in Mu”.
    Op pag. 18: “….en dan raak ik gewoon weer in het Mu en dan ís alles weer. Dan is alles opgelost.”
    Op pag. 20:” …maar de toepassing van zen is dat je de hele dag alles tot Mu kunt brengen waardoor eigenlijk altijd en iedereen blij met je is, gelukkig met je is. Die ander zit dan vaak ook met problemen en dat lost zich dan gelijk op.
    Zodra er Mu in het gebouw heerst, lost bij iedereen alles op.
    Dus dat zou een centraal uitgangspunt kunnen zijn om over zen te praten.
    That’s All.
    Anton Heyboer, zenmeester”.
    ZÓ eindigt het “Mu” citaat op pagina 20.

  2. Win, naar aanleiding van jouw artikel over non- dualiteit van 18-07-2018, kom ik tot de conclusie dat een ander woord voor dit begrip non-dualiteit…MU is.

    “En daar heb je het weer….MU..”

    In het Nederlands is van de Deense schrijver Lars MUHL ( in zijn naam is MU opgenomen) zijn “O – manuscript” in drie delen vertaald: De Ziener, De Magdaleen en als derde deel; De Graal.
    In dit laatst uitgekomen boek, in 2017, staat op pag 38 en 39 veel uitgelegd over dit MU begrip. U zult het zeker interessant vinden.
    Met groet.

  3. Het is overigens wel heel grappig,; wanneer we onze verbazing willen uiten, iets van ‘hoe bestaat het’, dat we dan hard en volmondig zeggen , nee uitroepen:
    “NOU MOE….”

Laat een reactie achter op Piet Nusteleijn Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *