Herinneringen aan Hein

Ik herinner mij Hein als kind nog heel goed. Hij was de oom van mijn buurjongen en beste vriend Hans in Hoensbroek. Hij was die mysterieuze, maar beminnelijke man die daar een keer per jaar in de zomer op bezoek kwam. Ik zie hem nog achterom in zijn zwarte priestergewaad met wit boordje staan. Hij was priester of missionaris bij een Indianen-gemeenschap in Canada en kwam een keer per jaar over naar Nederland om zijn familie te bezoeken. Aangezien wij (mijn ouders en mijn twee jongere broers) op goede, vriendschappelijke voet met onze buren leefden, waren wij op de hoogte van elkaars wel en wee en werden wij ook enigszins betrokken bij zijn bezoek. Wij hadden achter onze huizen (twee onder een kap) een hofje tussen de garage en de tuin, gescheiden door een stenen muurtje van een meter hoog. Die werd door ons kinderen veelvuldig gebruikt om behendig over heen te springen om elkaar op te zoeken of als scheidslijn als we over en weer tennisten of voetbalden. Dat decor diende ’s zomers ook vaak als ontmoetingsplek met de buren, met het muurtje als lange sta-tafel. Zo ook als Hein op bezoek was.

Over Hein deed ook het verhaal de ronde dat hij middels handoplegging mensen kon genezen van hun kwalen; of hij dat biddend deed met tussenkomst van zijn God, of op een Reiki-achtige manier, weet ik niet meer. Ik herinner me dat hij zo jaarlijks mijn moeder bij het muurtje ‘onder handen’ nam vanwege haar eczeem aan haar handen en mijn vader vanwege zijn eczeem op zijn voorhoofd. Dat maakte zo’n jaarlijks bezoek van Hein altijd een extra feestelijke happening. Want wie had er nou een oom die als priester bij de Indianen in Canada leefde (hij heeft daar zo’n twintig jaar gewerkt) en ’s zomers overkwam om zijn verhalen te vertellen en daarbij ook nog over ‘toverkunsten’ bleek te beschikken? Overigens was het in Limburg destijds wel gewoon dat een van je ooms een geestelijke was en als missionaris in het buitenland of als pater in een klooster verbleef. Zo’n oom noemden wij een ‘heeroom’.

Jaren later – Hans en ik waren nog steeds dikke maatjes – vatten we het plan op om Hein te gaan bezoeken in Roermond. Hij bleek intussen uitgetreden te zijn, de kerk vaarwel gezegd te hebben en zich in 1973 definitief in Nederland te hebben gevestigd, nadat hij daar een vrouw had leren kennen. Anke heette ze, ze was al een tijd weduwe en ze had een huis in Roermond, waar Hein bij ingetrokken was. Hans en ik waren inmiddels rond de achtien jaar en goed in staat om op eigen kracht naar Roermond te reizen. Aanvankelijk deden we dat op onze racefietsen (ongeveer twee uur fietsen), later op mijn comfortabele Puch brommer.

Anke was een hartelijke en open gastvrouw, bij wie wij ons heel welkom voelden. Ze had donkere fonkel ogen die haar iets mysterieus en wijs gaven. Ze bleek helderziend te zijn. Ze vertelde mij eens dat ze ‘zag’ dat ik in een vorig leven in Tibet had geleefd. Mij is ook altijd het verhaal bijgebleven dat zij als kind in haar ouderlijk huis een deur had geopend en daarachter een kabouter had zien staan van nog geen halve meter groot.

Ik ben met Hans een paar jaar naar Hein en Anke geweest, zo’n twee keer per jaar, geloof ik. Meestal hadden deze bezoeken eenzelfde verloop: wij arriveerden ’s middags en na het bijpraten bij de koffie en het gebak togen Hein, Hans en ik naar boven om in zijn studeerkamer vol boeken te ‘bomen’ over filosofie en levenswijsheden. Ook liet hij ons delen in zijn hobby’s, aquarelleren en boekbinden, en liet hij ons af en toe trots zijn kunststukjes zien. Ik heb nog enkele door hem ingebonden boeken over Jung en van Ouspensky thuis in mijn boekenkast staan.

 

In de loop van onze bezoeken begon Hein steeds vaker te vertellen over een zekere dr. Arthur Janov, een Amerikaanse psychiater, die enkele boeken had geschreven over ‘oerpijn’ en de oerschreeuwtherapie die hij had ontwikkeld. Het had duidelijk Hein’s belangstelling en werd steeds meer een speerpunt in zijn ontwikkeling en in onze ontmoetingen. Kort gezegd komen Janov’s bevindingen er op neer dat wij allemaal in onze kindertijd angsten en bedreigingen ervaren, die wij omwille van ons overleven moeten onderdrukken, maar die in ons systeem opgeslagen worden als ‘oerpijn’ en ons verdere leven blijven bepalen. Van Janov is ook oorspronkelijk de term ‘oerschreeuw’ afkomstig, door Edvard Munch zo treffend verbeeld in zijn beroemde schilderij. Ook Janov werd beroemd, weliswaar hoofdzakelijk in eigen land, doordat John Lennon een van zijn bekendste cliënten was. Lennon schreef na zijn therapie bij Janov het prachtige en indringende nummer ‘Mother’, waarin hij afrekende met zijn gemiste geborgenheid in zijn kindertijd.

In onze contreien waren Janov’s boeken en zijn oerschreeuwtherapie (‘Primal Scream’) minder bekend dan de Speyertherapie van Simon Speyer enkele jaren later (boek: ‘Ik haat van jou’). Ook Alice Miller deed het met haar ‘Drama van het begaafde kind’ en haar vervolgboeken hier beter. De Nederlandse psychologe Ingeborg Bosch ontwikkelde op dit gebied de baanbrekende en succesvolle therapie Past Reality Integration (‘De herontdekking van het ware zelf’, 2005), dit op basis van het werk van de Amerikaanse Jean Jenson (‘Op weg naar je ware zelf’, 1997) die zelf de oerschreeuwtherapie van Janov ondergaan had.

Hein’s enthousiasme over Janov’s boeken en bevindingen sloeg ook over op Hans en mij. Wij bestelden de boeken en begonnen ze driftig te lezen. De inspiratie die ik er uit haalde deed mij zelfs besluiten om psychologie te gaan studeren, nu ik kort voor mijn eindexamen stond (1976) en er een studiekeuze gemaakt moest worden. In deze periode zie ik – achteraf – duidelijk Hein’s eerste verkenningen op een nieuw gebied, waarop zijn latere ontwikkeling is gestart en wat uiteindelijk mede bijgedragen heeft aan zijn bevrijding en ontwaken. Hein noemt Janov overigens pas in zijn tweede boek,  ‘De andere God’ (2005, p.65).

Een andere opmerkelijke toevalligheid in die tijd was dat ik eind 1977 verkering kreeg met Tessa, die ik nog van school kende, en die haar opleiding tot bibliotheekassistente deed aan de Bibliotheek- en Documentatie Academie in Sittard. Toevallig de hogeschool waar Hein na zijn terugkeer uit Canada gesolliciteerd had als docent gedragswetenschappen. Ik herinner me nog dat Hein vertelde dat hij zonder indrukwekkende CV of referenties, maar met een hoop bagage en levenservaring, indruk gemaakt had bij de directeur en vervolgens die functie kreeg.

Nu had ik een vriendin, die les kreeg van Hein. Wat een wonderlijk toeval. En natuurlijk had ik het met Tessa over Hein, en met Hein over Tessa. Een poos later liet Tessa mij aantekeningen zien, die ze gemaakt had tijdens lessen Culturele Antropologie van Hein. Die maakten indruk op mij door de aparte en pakkende invalshoek. Ik herkende er duidelijk de invloed van Janov in. Ik heb die aantekeningen destijds overschreven en bewaard. In een aparte bijdrage op deze site zal ik ze presenteren, als curiositeit en als voorbode voor Hein’s latere inzichten en boeken (zie ‘Lessen culturele antropologie van Hein’, blog van 13 november 2017).

 

Ik maak nu een flinke sprong in de tijd. Hans en ik waren elkaar, na ons afstuderen in Nijmegen, uit het oog verloren en hadden geen kontakt meer. Rond 2004 vernam ik van mijn moeder dat er van Hein een boek was verschenen (zijn eerste boek ‘Leeg en bevrijd’, 2003). Zij had dat van onze vroegere buurvrouw, de moeder van Hans, gehoord, omdat beiden nog steeds kontakt met elkaar hadden. Ik reageerde aangenaam verrast op dat bericht en mijn nieuwsgierigheid was natuurlijk gewekt. Nadat ik het boek besteld en gelezen had wist ik echter nog niet zo goed wat ik er mee aan moest. Heel boeiend, ja, maar de diepere strekking ontging me nog op dat moment.

Weer jaren later, zo rond 2012, kwam ik na een diepe relatiecrisis in aanraking met Nondualiteit en Advaita. Hoewel ik al in mijn puberteit een spirituele zoektocht gestart was, was mijn aandacht tot op dat moment nooit getrokken door leermeesters en inzichten uit die richting. Mijn oog was er simpelweg nooit op gevallen, terwijl die schat steeds voorhanden was. Nu was de tijd er blijkbaar wel rijp voor. Ik ontdekte en zag de diepe wijsheid en vérstrekkendheid die in deze verzameling verwijzingen zat. En natuurlijk kon ik nu ook Hein’s boek plaatsen en in een groter verband zien. Hij beschreef een soortgelijk proces als de Boeddha destijds en als al die andere ontwaakte mensen. Bij de een gebeurt dat spontaan, een ander wijdt zich aan intensief Zelfonderzoek, al dan niet als leerling bij een authentieke meester, en weer een ander moet door een zware crisis heen alvorens het licht te zien. Bij Hein was het laatste het geval; na een levenslange zoektocht, waarbij hij op latere leeftijd kerk en Christendom achter zich liet en daarna in een grauwe levensfase belandde, wist hij m.b.v. cruciale inzichten uit de Tao Teh King – zijn levenslange metgezel – én de bevindingen van Janov, de oerpijn in zijn systeem in de ogen te kijken en de Leegte te verwelkomen. Dit moet rond 1997 geweest zijn. Zo werd Hein twee keer een mentor in mijn leven.

In 2015 werd ik door de Vrijzinnigen IJsselstreek in Brummen gevraagd om als gespreksleider te fungeren in een jaarlijkse leeskring/boekbespreking, die in februari 2016 zou plaatsvinden. Daarbij mocht ik zelf een geschikt boek uitzoeken. Ik koos voor Hein’s eerste boek; het gaf mij veel voldoening dit met twaalf anderen door te nemen en zijn gedachtegoed op deze manier meer bekendheid te geven. Een jaar later werd ik weer hiervoor gevraagd; dit keer koos ik voor de Tao Teh King, en wel de versie van Archie J. Bahm die door Hein op hoge leeftijd nog in het Nederlands vertaald werd (SWP, 2006).

2 gedachten over “Herinneringen aan Hein”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *