De Tao van Hein, een open geheim

Wie Hein’s eerste boek ‘Leeg en bevrijd’ goed gelezen heeft, weet dat de Tao Teh Ching van Lao Tze voor hem een levenslange metgezel is geweest. In het begin van de jaren zeventig ontdekte hij dit boekje in een bijzonder goede interpretatie van de hand van Archie Bahm, professor aan de universiteit van New Mexico. Ook na zijn bevrijding bleef dit geschrift zijn beste vriend, zozeer dat hij zich zelfs waagde aan een vertaling ervan in het Nederlands ( Lao Tzu, Tao Teh King, Uitgeverij SWP, 2006, zie onder ‘Boeken’).

De Tao Teh Ching (of Tsjing, King) is naast de I Tjing een klassiek meesterwerk uit het oude China en wordt toegeschreven aan Lao Tzu (of Tze). Het is met recht een klassieker, klein van formaat maar groots qua inhoud en diepgang. De eigenlijke tekst bevat 81 wijze observaties en bespiegelingen over het Leven en over de Tao, een onvertaalbare verwijzing naar het Naamloze en Onzegbare.

In hoofdstuk 17 en 18 van ‘Leeg en bevrijd’ gaat Hein dieper in op dit geschrift en laat hij zien hoe zij hem intuïtief het HOE van de bevrijding heeft getoond. Ik beschouw hoofdstuk 18 van ‘Leeg en bevrijd’ als het meest indrukwekkende en meest waardevolle hoofdstuk uit Hein’s boek, misschien wel van alles wat hij geschreven heeft. Het vormt mijn inziens de kern, het hart van wat hij ons nagelaten heeft. Met name blz. 104 is zo essentiëel dat ik Hein hier in een lang citaat zelf aan het woord laat:

            ‘Op een dag kwam er ineens een gedachte uit de Tao Teh Ching mijn hoofd in. De volgende vraag kwam namelijk bij me op: Zou de enige manier om dit proces te voltooien niet kunnen zijn: gewoon niets te doen? Alles zijn eigen natuurlijke gang te laten gaan, en kijken wat er van terecht zou komen? Want ik had namelijk van de Tao Teh Ching geleerd dat ieder ding zijn eigen ‘tao’, zijn eigen ingebouwde weg en wetmatigheid heeft om tot zijn natuurlijk einde te komen, zoals die in het wezen van dat ding geschreven staat. En ieder ding kan dat feilloos volbrengen, als het niet verhinderd wordt. Ik had dat altijd niet alleen een merkwaardige, maar ook een weldadige observatie van Lao Tze gevonden, logisch en redelijk.
            Ineens kwam het bij mij op dat het de moeite waard zou zijn om dit in praktijk te brengen. Lao Tze had namelijk geobserveerd en vastgesteld dat ook het onnatuurlijke zijn eigen tao, zijn eigen natuur, zijn eigen weg heeft om tot zijn eigen ‘natuurlijk’ einde te komen. Welnu, de weg, de tao van het onnatuurlijke is dat het vanzelf tot zijn eigen ‘natuurlijk’ einde komt, mits het niet verhinderd en geblokkeerd wordt. Met andere woorden: je verhindert het tot z’n natuurlijke voltooing te komen door er tegen te vechten, of het steeds maar te verdoven, of het steeds maar weg te duwen. Zou de tijd eindelijk daar zijn om daar eens echt notitie van te nemen? Aangezien ik alles al geprobeerd had, ik niets meer kon doen, niets meer onder controle had, en ook niet veel puf en motivatie meer had voor welke actie dan ook, en vooral ook omdat ik niets meer te verliezen had, besloot ik alles los te laten en te laten begaan. De enige activiteit die voor mij zou overblijven was kijken, onder ogen te zien wat zich binnen in mij afspeelde en er niet voor weg te lopen. Kijken, niet de ogen sluiten, gewoon getuige-zijn, en dat zonder te oordelen, zonder te veroordelen, zonder tussenbeide te komen. Gewoon getuige-zijn, en vooral niet weglopen. Als ik het onnatuurlijke niet kon weghalen door er actief tegen te vechten, of er mij van af te sluiten, zou de oplossing dan niet kunnen zijn: ophouden met proberen, ophouden met vechten, ophouden met me af te sluiten en zo het onnatuurlijke zijn eigen ‘tao’ te laten volgen?’ (‘Leeg en bevrijd, p.104)

Hoewel Hein in hoofdstuk 17 van ‘Leeg en bevrijd’ verschillende hoofdstukjes uit de Tao Teh Ching noemt als voorbeeld van de schoonheid en diepgang van dit geschrift, noemt hij nergens expliciet die teksten, waaruit hij bovenstaande gedachte en observatie haalde. Ik doe hierbij een poging. Daarbij maak ik gebruik van Hein’s vertaling van de versie van Archie Bahm.

Alvorens de bedoelde teksten te bespreken, nog enkele belangrijke opmerkingen.
Ten eerste moet het woord Tao volgens Hein niet gedefiniëerd of uitgelegd worden. ‘Tao moet ‘geproefd’ worden’ (p.94). Als je datgene, waar Tao naar verwijst, begint te proeven en aan te voelen, valt op hoezeer dit woord lijkt op het woord Bewustzijn, dat in de Advaita en Nondualiteit literatuur veelal gebruikt wordt om datgene mee aan te duiden waar het wezenlijk om gaat.

Ten tweede, als Tao vertaald wordt als Weg of Pad, zoals vaak gebeurt, kan de titel van dit artikel gemakkelijk geïnterpreteerd worden als de manier of methode die Hein gehanteerd zou hebben om tot ontwaken te komen. Dat was nooit Hein’s doel of bedoeling; het was een natuurlijk uitvloeisel van het proces dat hij aanging door observaties uit de Tao Teh Ching ter harte te nemen en in de praktijk te brengen. Bovendien is er niet één manier die voor iedereen geldt; er is zelfs niet ’n manier. Voor Hein was zijn ontdekking van het ‘geheim’ van de Tao Teh Ching ZIJN sleutel om het slotje, wat toen Hein heette, te openen. Het is geen ‘loper’ die door iedereen als methode gebruikt kan worden. ‘Natuur en natuurprocessen kennen geen methode. Wat ik methode noem betekent enkel dat ik een manier heb gevonden om bij mijn oerpijn te komen’, zegt Hein in het interview van het blad InZicht (2005, nr.2). Wel onthulde de Tao Teh Ching aan Hein een inzicht (dat voor hem verstrekkende gevolgen had) dat je in de Advaita en Nondualiteit steeds tegenkomt als essentiëel kerninzicht of natuurlijke wetmatigheid.

And last, but not least: van de Tao Teh King (of Ching, Tsjing) zijn tientallen vertalingen en versies in omloop. De versie van Archie Bahm, en de vertaling van Hein hiervan, onderscheidt zich van andere versies met name vanwege de vernieuwende interpretatie van Tao als Natuur en Zijn. Helaas is deze versie niet zo bekend in ons land. Toch is dit de versie waar Hein zijn ingeving en inzicht uit haalde. Als ik andere versies van de Tao Teh King naast deze leg, kom ik bij de betreffende passages hele andere omschrijvingen tegen. Hein schrijft hierover:

            ‘De Chinese Tao Teh Ching behoort tot de oudste wijsheidsliteratuur van de wereld. Wat betekenen deze woorden?
            Ching betekent boek. Deze oude chings bestonden uit een aantal bamboestokjes, op ieder waarvan een bepaald thema werd gekerfd in enkele Chinese karakters. Een aantal bamboestokjes, bij elkaar gebonden, vormden een ‘ching’, een afgerond geheel. Het oude Chinese schrift kende geen woorden zoals wij. Men maakte in gestileerde vorm tekeningen die een handeling, een bepaalde situatie uitbeeldden die vervolgens geïnterpreteerd moesten worden en die door degene die op de hoogte waren intuïtief herkend werden. Het is vergelijkbaar met onze moderne cartoons……Een ching moet dus geïnterpreteerd worden. Het is dus vanzelfsprekend dat dit aanleiding geeft tot vele vertalingen die allen wel op hetzelfde neerkomen, maar zeer genuanceerd zijn in uitdrukkingskracht, poëtisch vermogen en helderheid van inzicht en taal, en in verstaanbaarheid.’ (‘Leeg en bevrijd’, p. 93/94)

Hein heeft het over ‘vele vertalingen die allen wel op hetzelfde neerkomen’. Het is mijn ervaring, na diverse versies met elkaar vergeleken te hebben, dat ik zonder de versie van Archie Bahm, en alleen met de andere, meer gangbare vertalingen, niet deze ‘sleutels’ zou zijn tegengekomen, die Hein zo geïnspireerd hebben. Hein zegt zelf in het eerder genoemde interview in InZicht (2005, nr.2): ‘Ik heb er heel veel vertalingen van gelezen. Maar deze hier, van Archie Bahm sloeg bij mij alle ruiten in. Ik heb nooit een versie gelezen die zo prachtig is’.
In een persoonlijke email aan Robert Swanenburg de Veye d.d. 15 juli 2005 zegt Hein het volgende hierover: ‘ In het Engels zijn er ongeveer 80 interpretaties. Bij mijn weten zijn er ongeveer zes vertaald in het Nederlands. We hebben er enkele naast mekaar gelegd en vergeleken. Verdienstelijke interpretaties, maar onze eenparige conclusie was  dat geen enkele het haalt bij die van Archie Bahm, zo wondermooi en ik zou zeggen: verlicht. Deze is meer dan dertig jaar mijn compagnon geweest.’

De volgende tekstfragmenten zijn niet de volledige hoofdstukjes,  maar die zinnen die rechtstreeks verwijzen naar de inzichten die Hein m.i. geïnspireerd hebben. De cijfers (vaak in Romeinse letters aangegeven) verwijzen naar de betreffende hoofdstukken uit de Tao Teh King (in totaal dus 81).
 

                                                           XV (15)

In primitieve tijden hadden wijze mensen een intuïtief, diep doordringend inzicht in de werkelijkheid dat niet in woorden kon worden uitgedrukt. Aangezien we geen verslagen hebben van die intuïtieve inzichten, kunnen we ze enkel afleiden uit gezegden die ons zijn overgeleverd:

…Over modderig water: hoe meer men probeert de modder eruit te roeren, hoe modderiger het wordt.

Maar wat moeten we dan doen om modderig water helder te krijgen?
Blijf er van af en de modder zakt vanzelf naar de bodem.

Wat moeten we doen om tevredenheid te bereiken? Laat ieder ding zijn eigen natuur volgen en uiteindelijk zal het op zijn eigen manier tot rust komen.

 

                                                           XVI (16)

…Want alles wat ontstaat, zal uiteindelijk weer terugkeren naar waar het vandaan kwam.

Elk ding dat groeit en zich ontplooit tot de volheid van zijn eigen natuur, voltooit zijn reis door weer af te takelen op een manier die door zijn eigen natuur is bepaald.

Zijn levensweg voltooien en een eigen doel hebben, zijn beide onvermijdelijk voor ieder ding.

Dat ieder ding zijn eigen doel heeft is een innerlijke noodzakelijkheid.

Hij die weet dat dit in het diepste wezen der dingen ligt opgesloten, is een wijs mens.

Hij die dat niet weet, is dat niet.

Aangezien hij wijs is, weet hij dat ieder ding een eigen natuur heeft, die volledig in staat is om voor zichzelf te zorgen. In die wetenschap is hij bereid om ieder ding zijn eigen natuurlijke weg te laten volgen.

 

                                                           XXIII (23)

Aan dingen die zich natuurlijk gedragen hoeft niet verteld te worden hoe ze zich moeten gedragen.

Wind en regen beginnen zonder daartoe bevolen te zijn en houden op zonder bevel. Zo gaat het met elk natuurlijk begin en elk natuurlijk einde.

Als de Natuur wind en regen geen instructies hoeft te geven, waarom moeten wij dan trachten die te sturen?

Hij die natuurlijk handelt is de Natuur zelf die handelt.

Hij die dus wijs handelt is de Wijsheid zelf die handelt.

 

                                                           XXV (25)

Ultieme werkelijkheid (‘De Natuur’) omvat groei; groei omvat voltooiing van groei; en voltooiing van groei omvat terugkeer naar datgene waar het vandaan kwam.

De Natuur is ultiem; het beginsel van aanvang is ultiem en zo ook het beginsel van voltooiing.

En de wijze mens die naar de Natuur leeft, is ultiem.

 

                                                           XXX (30)

Zij die de Natuur helpen haar weg te volgen hoeven geen geweld te gebruiken. Want geweld zal geweld ontmoeten, en waar geweld wordt gebruikt is vechten en ontreddering het gevolg.

…Wanneer dingen eenmaal rijp zijn geworden, gaan ze vanzelf weer aftakelen.

 

Tot zover de betreffende hoofdstukjes uit de Tao Teh Ching. De oplettende  lezer zal in Hein’s eerder geciteerde gedachtegang ongetwijfeld deze wijze bespiegelingen van Lao Tze herkennen.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *